top of page

Morgen ben ik jarig. Herman Brood ook

Foto van schrijver: Mick Boskamp
Mick Boskamp
41 minuten geleden
5 minuten om te lezen

Als ik vandaag overleef, word ik morgen zeventig. Een zin die je tamelijk achteloos kunt opschrijven, tot je bedenkt met wie je je verjaardag deelt.



Twee geile schorpioenen bij elkaar
Twee geile schorpioenen bij elkaar

Herman Brood werd op 5 november 1946 geboren, ik op 5 november 1956. Precies tien jaar verschil. Morgen zou hij tachtig zijn geworden. Probeer je daar maar eens een voorstelling van te maken. Herman Brood van tachtig. Zelfs de rollator zou waarschijnlijk een manager nodig hebben gehad.

Ik heb hem gekend. Niet zoals je dat op een verjaardag zegt over iemand met wie je ooit bij dezelfde garderobe hebt gestaan. Eind jaren zeventig schreef ik zoveel over hem voor de Hitkrant dat ik een eigen functie kreeg: redacteur Brood. Er waren journalisten met Buitenlandse Zaken in hun portefeuille. Ik had Herman. Minstens zo onvoorspelbaar, aanzienlijk beter haar.

In zijn uitstekende boek Rock ’n’ Roll Junkie beschrijft Jan Eilander hoe dat in zijn werk ging:

‘Hitkrant haakte in. Vond een idool dat nota bene om de hoek woonde. Dat elke week, zo nodig elke dag beschikbaar was en overal voor in was. Zanger – met manager – en blad begonnen een een-tweetje. Versterkten elkaars marktpositie. En Mick Boskamp werd redacteur Brood.’

Daar stond het. Mijn functieomschrijving, voor het nageslacht vastgelegd. Een mens kon het slechter treffen.

De eerste keer dat ik Herman ontmoette en interviewde, zaten we in een van zijn favoriete rijdende hot spots: de eersteklascoupé van een willekeurige NS-trein. Hij had me nog nooit ontmoet, maar begroette me met: ‘Goedemiddag, jongeheer Boskamp.’ Zo’n begroeting waardoor je onmiddellijk het gevoel kreeg dat je ergens bij hoorde, al wist je nog niet precies waarbij. Waarschijnlijk was dat laatste ook maar beter.

Betoverd door zijn uitstraling kwam ik terug op de redactie en schreef een artikel waar geen touw aan vast te knopen was. Herman en zijn manager Koos van Dijk vonden het prachtig. Iemand die zoveel nonsens wist op te schrijven, konden ze uitstekend gebruiken in hun strategie om Nederland te overladen met Brood. Ik had kennelijk mijn talent ontdekt. Nu de journalistiek nog.


Eilander schrijft:


‘Boskamp reisde met Brood mee in de limousine. Werd door Koos van Dijk vrijwel dagelijks op de hoogte gehouden van elk mogelijk nieuwtje. Hij publiceerde elke week een foto. Schreef elke week een stukje. Over Brood. Niet over de Wild Romance. En ook niet over muziek. Boskamp zegt: “Herman wist precies wat wij nodig hadden. Geen eindeloze dopeverhalen, maar kneuterdingetjes.”’


Kneuterdingetjes. Bij de beroemdste rock-’n-rolljunkie van Nederland. Dat was het mooie: achter al die wilde haren, herrie en reputatie zat iemand die uitstekend begreep dat je ook met de grootste onzin een bladzijde kon vullen. Een van mijn koppen uit die tijd luidde: ‘Marco Bakker is niet de vader van Herman Brood.’

Ik zou daar nu graag een diepere journalistieke gedachte achter ontdekken, maar soms moet je de geschiedenis gewoon met rust laten.

Bijna een halfjaar schreef ik iedere week over hem. Ik zocht hem op in een treincoupé of een hotelbar, of Koos belde met een balletje dat ik vervolgens gretig inkopte. We hadden geen sociale media nodig. We hadden Koos van Dijk. Die hoefde je niet eens te verversen.


Een van de mooiste voorbeelden van hun gezamenlijke publiciteitstalent was de uitreiking van een gouden plaat voor Cha Cha. Niet in een zaaltje met lauwe wijn en een platenbaas die zichzelf bedankte. Op de trappen van het paleis van justitie in Leeuwarden, waar Herman moest verschijnen voor een hoger beroep. De uitreiking werd verricht door Aage M., de gentleman-inbreker, bekend van zijn thermische lans. Je kunt veel van die keuze zeggen, maar die man wist in ieder geval hoe je bij kostbare metalen kwam.


Eilander haalt ook mijn verslag aan:

‘Ik zeg het eerlijk. Dit wordt een partijdig procesverslag. Verdachte Herman B. die op een vroege donderdagochtend in het Friese Leeuwarden in hoger beroep van een eerder vonnis ging, had namelijk veel te verliezen. Want hoe leg je zes mensen, tezamen de Wild Romance vormend, uit dat ze acht weken zonder Brood moeten zitten…?’

Objectieve journalistiek. Ik zat er bovenop.

Jaren later interviewde ik hem voor Playboy. Tijdens dat gesprek zei hij iets wat door zijn latere dood een betekenis heeft gekregen die geen van ons er toen aan kon geven.

‘Uit het leven stappen doe ik niet. Stel je voor dat ik van een hoog gebouw afspring en dat ik net voordat ik de grond raak, onder het rokje van een mooie dame die op straat loopt, kan kijken, waardoor ik weer heel veel zin in het leven krijg…’

Het is een bizarre uitspraak. Brutaal, absurd, op het eerste gehoor helemaal Herman. Zelfs in een gesprek over de dood vond hij nog een omweg naar de lust om te leven. Een rokje als laatste argument om hier te blijven.

Op 11 juli 2001 overleed hij nadat hij van het dak van het Amsterdamse Hilton Hotel was gesprongen. Sindsdien laat die uitspraak zich niet meer lezen zoals hij ooit werd uitgesproken. De grap staat er nog, maar de afloop heeft zich ertussen gewrongen.

Ik ga niet doen alsof ik met dat ene citaat begrijp wat er jaren later in hem omging. Een mens is ingewikkelder dan zijn mooiste oneliner, ook wanneer hij Herman Brood heet. Misschien juist dan. We kenden de naam, de stem, het haar, de verhalen. Dat betekende niet dat we alles wisten.

Toen ik later voor Reclameweek over hem schreef, vroeg ik Koos waar Hermans gave vandaan kwam om een journalist het gevoel te geven dat hij of zij de enige op aarde was. Was ook dat onderdeel van de voorstelling?

‘Geloof het of niet, maar dat was niet gespeeld,’ zei Koos. ‘Neem jezelf. Jullie hadden echt een band met elkaar. En natuurlijk wilde hij dat je zijn verhaal zou opschrijven. Maar wat je van hem zag en kreeg was echt. En of dat nou gelul was of niet…’ Dat laatste maakt het antwoord misschien wel zo overtuigend. Koos maakte er geen heilige van. Je kon door Herman worden ingepakt en toch iets echts krijgen. Het een sloot het ander niet uit.

De laatste keer dat ik hem zag, was ergens in 1998. Hij kwam de Escape aan het Amsterdamse Rembrandtplein binnen, ik liep net naar buiten. Toen hij me passeerde, hield hij even stil.


‘Goedenavond, mijnheer Boskamp.’


Daarna liep hij glimlachend verder. Van jongeheer naar mijnheer, met een heel stuk leven ertussen. Hij had aan die paar woorden genoeg.


Morgen word ik zeventig. Herman had tachtig moeten worden. Voor één keer had ik het volkomen terecht gevonden als hij alle aandacht naar zich toe had getrokken op mijn verjaardag. Had ik gewoon weer een stukje over hem geschreven.

Eigenlijk is dat precies wat ik vandaag doe.

Alleen had ik hem zo graag morgen nog even gefeliciteerd.

 
 
IMG_9730.JPG

Door

Mick Boskamp

bottom of page